Geloof&Leef

parasja Shelach (zend)

Afbeeldingsresultaat voor vrucht van de wijnstok

Vooraf lezen: Numeri 13:1-25

‘En de Heere sprak tot Mozes en zei: zend mannen uit, die het land Kanaän verspieden, welke Ik aan de Kinderen Israëls geven zal; van elke stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen. Mozes dan zond ze uit de woestijn Paran,naar de mond des Heeren, al die mannen waren hoofden der kinderen Israels. ‘

In Deuteronomium 1:19-22 lezen we dat Mozes spreekt over het feit dat Israëls verblijf in de woestijn herinnert aan de volgende belangrijke omstandigheden. : Toen vertrokken wij van Horeb, en door wandelden de ganse grote en vreselijk woestijn, die gij gezien hebt, op de weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de Heere, onze God, ons geboden had; en wij kwamen te Kades-Barnea. toen zei ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amorieten dat de Heere, onze God, ons geven zal. Zie, de Heere, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht, trekt op bezit het erfelijke, gelijk al s de Heere, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft; vreest niet, en ontzet u niet. Toen naderde gij allen tot mij en zeide: laat ons mannen voor ons aangezicht henen vinden, die ons het land onderzoeken , en ons antwoord wederbrengen, langs welke weg wij daarin oprekken zullen, en tot welke steden wij komen zullen.

Het bevel, dat de Heere geeft betreffende de verspieders, is duidelijk een gevolg van een de toestand van het volk. Hadden zij zich door het geloof laten leiden, dan hadden ze naar de woorden van Mozes gehandeld: ‘Zie, de Heere, uw God, heeft dat land gegeven voor uw aangezicht; trekt op , bezit het erfelijk, gelijk als de gegeven voor uw aangezicht; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de Heere, uwer vaderen God, tot u gesproken heeft, vreest niet en ontzet u niet; Hierin is geen woord over de verspieders te vinden.

Het woord verspieden komt van het Hebreeuwse woord ‘tuwr’ wat zoal uitzoeken, rondreizen, onderzoeken betekent. ALs we goed lezen zien we dat Mozes plan was om hen als verkenners naar het Land te sturen, zodat zij hun ervaringen konden delen met het volk. Echter de mannen zelf hebben hun taak gemaakt als verspieders en begonnen een afspiegeling te maken van de mogelijkheden. Dit was niet nodig geweest als ze hadden geloofd dat de Heer hen de overwinning op het beloofde land al had gegeven. Wat heeft geloof dan te maken met de verspieders?

Als de Heer hen een land geeft wat de moeite waard is, dan zal Hij het toch ook moeten geven? Hij had het beloofd in Deuteronomium 8:7-9. ‘Want de Heere, uw God, brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uitvloeien; een land van tarwe en gerst, en wijnstokken, en vijgenbomen en granaatappelen;een land van olierijke olijfbomen, en van honing, een land, waarin gij brood zonder schaarsheid eten zult, waarin u niets ontbreken, al; een land, welke stenen ijzer zijn, en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.

Had dit niet genoeg moeten zijn voor de Israëliet. Konden ze zich niet tevreden stellen met het getuigenis van God? Hij had het land uitgezocht, en hun al één en ander er over verteld. Waar was het dan voor nodig, mensen uit te zenden om het land te verspieden?

En dan rijst de vraag waarom staat dit in de Bijbel, wat kunnen we ervan leren? Het laat ons zien wie we zijn. Het laat ons zien dat we ons hart moeten onderzoeken. Een hart dat

eenvoudig op God vertrouwt zal nooit denken dat ook maar iets te moeilijk zal zijn.Het zal zeggen. Het land is een geschenk van God, en dus moet het goed zijn. Zijn Woord moet genoeg zijn, wij moeten geen verspieders nodig hebben. Wij hoeven, als we het Woord goed lezen, geen getuigenissen van mensen. Maar helaas! We zijn niet anders dan de Israëlieten. Zij wilden met alle geweld verspieders uitzenden; hun hart wilde het; ze wilde het in het diepst van hun ziel. De Heere wist het, daarom gaf Hij het bevel, wat overeenkwam met de toestand van het volk.

Mozes zond dan de verspieders naar het land Kanaän en zeide tot hen. Trekt op tegen het zuiden, en klimt op het gebergte! En beziet het land hoe het is, en het volk dat daarin woont, of het sterk is of zwak, of het weinig is of veel; en hoed het land is waarin het woont, of het goed is of kwaad, en hoe de steden zijn, En zo vertrokken de verspieders naar het land. Ze gingen via de woestijn Zin naar Rebob en daarna naar Hamath. Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar een rank af, met een tros wijndruiven, die zij droegen met hun tweeën op een draagstok, ook van de granaatappels en van de vijgen… Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen.En zij gingen heen en kwamen bij Mozes en Aaron en tot de gehele vergadering der kinderen Israëls, in de woestijn van Paran, naar Kades en brachten antwoord aan hen en aan de gehele gemeenschap en lieten hen de vrucht van het land zien. En zij vertelden hem Wij zijn gekomen in dat land, waarheen gij ons gezonden hebt, en voorwaar, het is van melk en honing vloeiende en dit is zijn vrucht.

Ze bevestigen dus alles, wat de Heere over het land gezegd had. Het getuigenis van de twaalf verspieders, bevestigde het feit dat het land vloeiende van melk en honing – zo spraken ze over hun eigen ervaringen in het land. Het was werkelijkheid; die twaalf mannen waren in het land geweest, hadden daar veertig dagen doorgebracht; hadden uit de bronnen gedronken en van de vruchten gegeten. Wat heeft dit nu te maken met ons geloof?

God heeft e twaalf mannen in het land gebracht, hij zal dan toch ook het hele volk er heen kunnen brengen. Maar Helaas! Het volk liet zich niet door het geloof leiden, maar door somber en en ontmoedigend ongeloof. Zelfs de verspieders, die uitgezonden waren om de gemeenschap te overtuigen en te bemoedigen, met uitzonderingen van Kaleb en Jozua, werden bezield door het geloof in dezelfde God. Kortom, het hele plan viel in duigen. Uit het resultaat bleek alleen de toestand waarin het volk eigenlijk verkeerde: ze hadden geen vertrouwen. Het getuigenis was eenvoudig. Ze waren gekomen in het land, waar de Here hen gezonden had. Het land van melk en honing. Van Gods zijde ontbrak niets, het was zoals Hij had gezegd. , zelfs de verspieders bevestigen dat. Maar toen volgde er iets, wat de Heere niet had gezegd. Dat er een sterk volk woont en dat de steden zeer groot en zijn en ook hadden de mannen Enaks gezien.

Altijd als de mensen erbij betrokken is, is het ongeloof aan het werk en zijn er wel bezwaren. Daardoor waren er verspieders die moeilijkheden voorzagen en God zagen ze niet meer. Ze zagen alleen het zichtbare, in plaats van de onzichtbare dingen. Hun hart was niet op de Heere gericht. Ongetwijfeld waren de mensen sterk en de steden groot. Maar al waren de muren nog zo groot. God was groter! Zo dwaalde het geloof af, van God naar de moeilijkheden; maar het begint met Hem. Dat maakt het grote verschil! Wij hoeven niet

onverschillig te zijn, wat betreft moeilijkheden, maar ook niet roekeloos. Onverschilligheid en roekeloosheid zijn beide geen aspecten van geloof. Sommige mensen gaan heel gemakkelijk door het leven en lopen gemakkelijk over dingen heen: dat is geen geloof. De gelovige ziet de moeilijkheden onder ogen. Hij is zich bewust van gevaren op zijn pad. Hij is niet onkundig, niet onverschillig of roekeloos; maar brengt alle s bij God. Hi zit op Hem; steunt op Hem en put daar kracht uit. Hierin ligt het geheim van de kracht van het geloof. Alleen het geloof kent God zijn ware plaats toe; en ook alleen door het geloof kan de ziel verheven worden tot de uiterlijke omstandigheden, hoe deze ook zijn. Het geloof werd vertegenwoordigd door Kaleb, toen hij zei: ‘Laat ons vrijmoedig optrekken, en dat erfelijk bezitten, want wij zullen dat voorzeker overweldigen.’

Zo spreekt het geloof, dat god verheerlijkt en niet bij omstandigheden stil blijven staan. Verreweg de meest verspieders hebben even weinig geloof als de mannen, die hen uitgezonden hadden, zodat de nee gelovige door de tien ongelovigen tot zwijgen werd gebracht. De mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken. De taal van het ongeloof ging tegen die van het geloof in. De gelovige zag op naar God en zegt Laat ons vrijmoedig optrekken en dat erfelijke bezitten, want wij zullen dat voorzeker overweldigen. De ongelovige zag op de moeilijkheden en riep: ‘Wij kunnen niet Zo was het toen, en zo is het nog. De gelovige ziet op tegen de levende God, en daardoor vallen moeilijkheden weg. De blik van de ongelovige wordt verduisterd door de omstandigheden, en daardoor ziet hij God niet.

Alzo verbreiden zij een kwaad gerucht van het land, dat zij verspied hadden, onder de kinderen israëls, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, omdat te verspieden, is een land dat zijn inwoners verteert: en al het volk, hetwelk wij in het midden daarvan gezien hebben, zijn mannen van grote lengte, Wij hebben daar ook reuzen gezien, de kinderen van Enak, van de reuzen en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen. Over God geen woord. Hij staat buiten hun gedachten. Hadden zij aan Hem gedacht, hadden zij de reuzen met Hem vergeleken, dan zou het geen verschil gemaakt hebben, of zij zelf als sprinkhanen of als mensen waren.

De Heere zal ons beschermen onder alle omstandigheden, ook als wij in moeilijkheden zijn. Wij mogen weten dat wij mensen zijn met tekortkomingen, maar ook dat de Heere onze moeilijkheden teniet kan doen.

We weten ook dat Yeshua al vanaf het begin met het volk mee was door de woestijn. Was Hij er dan nu niet bij? Zo door de letters heen is er niet een direct iets aan te wijzen. Maar als we de namenlijst wat nader onderzoeken lezen we dat Yeshua er wel degelijk was. Laten we de namen van de stammen eens beter bekijken

Hebreeuws Stam Betekenis

ןבואר Ruben Zie een Zoon

ןועמש Simeon Luister (naar) Hem

הדוהי Judah Geef Hem lof

רכששי Issachar Hij brengt beloning

םירפא Efraim Dubbel gezegend

ןימינב Benjamin Zoon van mijn rechter

hand

ןולובז Zebulon Bij ons wonend

השנמ Manasse Hij zal u doen vergeten

ןד Dan Rechter

רשא Asher Gelukkig en gezegend

ילתפנ Naftali Strijd

הָיִעְת Gad Fortuin/rijkdom

Als we de betekenis van de namen, in een zin, achter elkaar zetten lezen we de volgende betekenis:

“Zie een Zoon (Messiah), luister (shema) naar hem, geef Hem lof want Hij brengt beloning en u zult extra (dubbel) gezegend worden. Hij is de Zoon van Mijn rechterhand en Hij zal bij ons wonen. Hij zal u uw problemen doen vergeten wanneer Hij als rechter terugkeert. Gelukkig en gezegend zijn zij die geloven, hoewel wij in deze wereld strijd zullen hebben. Hij is onze rijkdom.’

Laten we dit ook doen bij de namen van de gekozen mannen.

Hebreeuws Gezondene Betekenis

עמש Shamua Hoor (luister)

יתטפש Shaphat Om te oordelen

בלכ Caleb Zoals het hart

לאגי Yigal Hij wint terug

עשוה Hoshea Redding

יטלפ Palti Mijn bevrijder

לאידג Gadiel El is mijn goed fortuin

ידג Gadi Mijn goed fortuin

לאימע Amiel El van mijn volk

רוּתְס Setur Verborgen, geheim

יִבְּחַנ Nakhbi Ik verberg/hou geheim

לֵאוּאְגּ Geuel El is

verheerlijkt/verhoogd

Ook hier zien we een wonderlijk zin verschijnen als de betekenis van de namen in een zin weergeven:

Luister (naar) Hem want Hij zal het hart beoordelen. Hij zal mij terugwinnen met redding want Hij is mijn bevrijder. Mijn El is voorzeker mijn goed fortuin. De El van mijn volk is verborgen. Hoewel Hij verborgen is, zal Hij verheerlijkt en verhoogd worden!

Beide zinnen spreken van Yeshua HaMashiach. Het is opmerkelijk dat Yeshua ook over verborgen dingen sprak:

Het juk van Christus; In diezelfde tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en het dezelfde kinderen hebt geopenbaard. Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U. Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de zoon wil openbaren. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht. (Mattheüs 11:25:30)

Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen. En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben. Ik neem geen eer van mensen; Maar Ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in u zelven niet hebt. Ik ben gekomen in den Naam Mijns Vaders, en gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dien zult gij aannemen. Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt? Meent niet, dat Ik u verklagen zal bij den Vader; die u verklaagt, is Mozes, op welken gij gehoopt hebt. Want indien gij Mozes geloofde, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven? (Johannes 5:39-47).

En zo mogen wij op onderzoek uit gaan in het Woord, door geloof, zoals de ‘verspieders’ door het beloofde Land gingen. We kunnen moeilijkheden tegenkomen op onze weg, maar mogen weten dat Hij, Yeshua HaMassiach, altijd met ons meegaat op de weg die we gaan.

Sjabbat Sjalom!

huisgemeente